Nest met spiegelei

door Anneke Doornbos

Categorie: Verhalen

Dit is een categorie voor al mijn (korte) verhalen, die niet in mijn boek staan.

Naar boven

Er waren twee prinsesjes. Ze waren erg verschillend. De een was rustig en groot en de ander was druk en klein. Maar toch waren het zusjes. Ze hielden veel van elkaar en speelden vaak samen.

Op een dag zei het kleinste prinsesje: ‘Ik wil iets anders doen’. ‘Wat wil je dan doen’, vroeg het grootste prinsesje. Het kleine meisje keek naar boven. In de lucht dreven mooie witte wolken.

‘Daar wil ik naar toe’, zei ze. ‘ Dan kan ik prachtig spelen, in de wolken’.
‘Maar waarom toch, je kunt hier toch zo mooi spelen’, riep het grootste zusje verbaasd. Ze wees op de geurende bloemen en de kleurige vlinders in de kasteeltuin. ‘Ik wil wat anders, hier ben ik elke dag’, zei de kleine meid met een diepe zucht.

Ze gingen zitten op de stenen bank met mooie krullen. Samen keken ze omhoog naar de wollige wolken die snel voorbij dreven in de wind. ‘Ik wil op een wolk zitten en dan kijken naar beneden en me verbazen over wat daar gebeurt’, zei ze dromerig, ‘ik wil dansen in een wolk en luchtsprongen maken en er voor altijd blijven. Het grote zusje luisterde naar haar verhaal en zuchtte : ‘Maar hoe kom je daar dan toch?’ ‘ Met een ladder natuurlijk’, zei de kleinste met een eigenwijs stemmetje.

Stil zaten ze samen naast elkaar en je kon alleen de vogels horen. Toen sprong de grootste zus op en riep uit; ‘ Als jij zo graag naar boven wil, dan gaan we samen een ladder maken’. Ze renden naar de grote schuur bij het kasteel. Het was een beetje donker en het rook er naar hout. Er stonden lange planken tegen de stenen muur. Samen bekeken ze of er geschikte latten waren voor een ladder. Met veel moeite trokken ze de houten latten uit de schuur. Het was zwaar, en ze werden erg moe.
Toen ze weer uitgerust waren, vonden ze gereedschap in een oude kist. Daarin lagen grote ijzeren spijkers en een zware hamer. ‘Weet je zeker dat je het wil?’ vroeg de grote zus aan het kleine meisje. Ze knikte en schudde met haar hoofdje.

Ze legden de latten naast elkaar op de grond, en tussen in de kleine latjes voor de treeën en begonnen met timmeren. Toen de zon bijna onderging, was de ladder klaar. Hun handen deden zeer maar samen tilden ze de ladder naar de tuin.
Bij de oude appelboom zetten ze de ladder tegen de kromme, knoestige takken. De ladder was hoog en wees naar de lucht. De twee meisjes keken elkaar lang aan als of ze wisten dat er iets ging veranderen. Ze sloegen de armen om elkaar heen en bleven zo een lange tijd staan onder de appelboom. Hun haren bewogen zachtjes in de wind. Het enige geluid dat je kon horen was een bries in de takken en zoemende bijen die rond de bloesem van de boom vlogen.

‘Weet je het echt zeker’, vroeg de oudste zus met een ernstige, diepe stem. Het duurde even voordat de kleine antwoordde. ‘Ja, ik weet het zeker’, en ze keek met een verlangende blik naar de lucht. Toen greep ze met haar handjes naar de houten spijlen. En ze trok zich zelf omhoog. Haar zusje gaf haar een zetje. ’Ho, stop’ ,riep de oudste, en greep haar vast, ‘wacht, wanneer zie ik je weer?’

Het jongste prinsesje draaide zich om op de ladder en keek haar zus aan. Het leek net of ze ineens een stuk ouder was geworden. De laatste zon bescheen met een warme gouden gloed haar gezichtje. Haar mooie krullen lagen als een lijst om haar hoofd en schouders. Ze wees met haar vinger naar de roze bloesem van de boom. ‘Als volgend jaar de appelboom weer bloeit , laat ik je weten hoe het met me gaat. Kom dan terug en zet de ladder tegen de boom, lieve zus. Ga op de ladder staan en reik je hand naar de lucht. Dan houden we elkaar vast en drijven samen op de wolken en genieten van al dat beneden is.

Het meisje verdween in de witte watten van de rozige lucht. De zon ging onder.

 

Geschreven naar aanleiding van de vraag op Facebook, een sprookje te schrijven voor een kind dat ongeneeslijk ziek was. Ze had een oudere zus.

Inmiddels is het meisje overleden.

 

 

 

Engel

 

Ik buig voorzichtig naar voren om door de kleine raampjes te kunnen kijken.

En zie een klein benauwd hokje met een bankje met grijze bekleding. Onder de voorruit ronde metertjes in een grijs geverfde ijzeren plaat en een uitstekende hendel.
In gedachten zit ik er. Mijn benen bungelen. Mijn vader probeert me uit te leggen wat een dodemanspedaal is. Hij roept hard want de wind slaat tegen de ramen en onder mijn voeten voel ik een donker geruis.
Ik luister nauwelijks en zie de lange banen die in de verte bij elkaar komen. Bosjes en palen vliegen voorbij. Groene vlakken en een eindeloos uitzicht met af en toe een kleine boerderij.
Het geeft een machtig gevoel dat ik voorin mag zitten. Ik bestuur die lange trein waar achter me de mensen zitten. Met gierende remmen stopt de trein.
Ik sta op het station in Wierden. Vele mensen zijn uitgelopen om de Blauwe Engel te kunnen spotten. Mobieltjes en fototoestellen zwaaien heen en weer.
Ik pers me uit de menigte. Voor mij even geen ‘Het verzet kraakt’. Maar het gevoel dat ik als kind kreeg toen ik speelde voor de flat in de zandbak.
Over het spoor, aan onze straat, gleed de trein. Een korte tuut, een lange, en dan weer een korte. Ik wist het, dat is mijn papa, de R van Roelof. In Morse taal. Door mijn vader aan mij uitgelegd.

Niks te doen

‘Wat moet er gedaan worden?’
Terwijl ik me omdraai knapt een spiraal in de zitting van de fauteuil. Ik grijp steviger in de gerafelde leuning.
Een kat springt geschrokken van de salontafel en papieren vallen op de grond.
Geuren van niet verschoonde kattenbakken en verpieterde etensresten halen mijn beelden in. Met tegenzin adem ik door.
Stof en haren dwarrelen weg als katten wegduiken onder een donkere kast.
Wat een aanrecht is, lijkt verstopt onder gebruikte vaat. Er valt weinig licht naar binnen maar ik zie een blauwe gloed in de pannen.
‘Nee hoor, ik zou niet weten wat’, antwoordt ze met opgewekte stem.

 

De klant

Daar staat hij.

Hij voert ons langs oude muren met stenen waarvan het cement al lang geleden is afgebrokkeld. In het immens grote gebouw zijn grote ruimten en geluiden klinken hol. Een paar glanzende tegels aan de wand verraden vergane glorie. We worden door gangen geleid naar een zware, krakende lift: naar boven.

Als hij een deur opent en ons binnenvoert, staan we in een grote zaal en het licht valt door enorme ramen naar binnen. Daar begint hij te vertellen en houdt niet meer op. Woorden waar ik het bestaan niet van wist , rollen moeiteloos uit zijn mond. Hij laat papieren zien die aan de wand geplakt zijn, waarop grootse plannen voor de toekomst schijnbaar achteloos zijn opgeschreven. Vol bewondering luister ik en koester zijn stem. Hij wijst naar zijn plek, waar ik vertrouwde dingen zie liggen, zijn tas en een jas over de stoel. Ik zie zijn aantekeningen in zijn handschrift en hij vertelt maar door. Ik geloof alles wat hij zegt.

Mijn ogen dwalen verder en zie een wand die is volgeklad met korte teksten. Ik lees: ‘Je moeder is niet je klant’.

Ik kijk weer naar hem, en vraag me af of hij al heeft gegeten, mijn jongen.

Aardig

Genomineerd, samen met 4 andere verhalen, in de wedstrijd ‘Straatrumoer. Kijk! Mijn straat.’ (2015) van Schrijverscafé Hengelo. Uiteindelijk niet gekozen als nummer 1, maar de jury was lovend.

 

De navigatie geeft aan dat ik mijn bestemming heb bereikt. Ik pak mijn werktas en kijk nog even in mijn agenda op welk huisnummer mijn cliënt woont. Dan stap ik uit en wil oversteken. Te laat hoor ik het zachte geronk van de witte scooter. Een vrouw met stevige bovenarmen roept boven het windscherm uit. Ze trekt aan het stuur en kan me nog net ontwijken. Als ik haar geschrokken nakijk , zie ik haar stevige billen heen en weer gaan om zich weer te nestelen in het te smalle zadel.  Verdwaasd maar opgelucht dat ik niet aangereden ben, steek ik over.

Het is warm en de zon schijnt scherp in mijn ogen. Verderop is een klein parkje met grote bomen en schaduw. Om even bij te komen, ga ik daar op een oud, rommelig bankje zitten en kijk eerst goed waar geen vogelpoep ligt.

Dan valt het me pas op hoeveel scooters door de straat rijden. Roze, witte, met windscherm, zonder scherm, met passagier of alleen een mandje. Nog beduusd kijk ik ze na.

Er gaat iemand naast me zitten. De bank begint gevaarlijk te kantelen, maar blijft staan. Volle dijen vleien zich tegen de mijne.  Als ik wil opschuiven, voel ik de harde leuning. Ik krijg het nog warmer.

‘Wil toch wel, he’, hoor ik een rauwe stem zeggen. Als ik me naar haar toe draai om te antwoorden, krijg ik allerlei luchten in mijn neus. Ik ruik rook en een oude zweetlucht. Twee kleine ogen kijken me priemend  aan. ‘Ja, dat lukt wel ‘, zeg ik twijfelend. Lange piekerige haren die bij de kruin veel donkerder zijn, vallen om haar volle gezicht.

‘Ging net goed, he’

Niet begrijpend kijk ik haar aan.

‘Met die scooter’ en ze knikt ongeduldig naar de plek  waar ik zojuist bijna geraakt ben.

‘Eh ja’,

‘Dat mens riedt altied als ’n gek’, begint ze, ‘ze heft wel vaker iemand aangereden’.

‘Nou, dan ben ik er..’, wil ik vertellen, maar direct gaat ze verder:

‘Ze heeft vast weer drank op, die kan er wat van hoor, ze woont vlak achter mij, dat huis zonder gordijnen. Mannen komen en gaan’. En ze draait met haar ogen. ‘Daar hef ze die scooter van betaald’.

Als ik bedenk wat ik hier op moet gaan zeggen, voel ik haar opveren van de bank en ze roept hard een naam. Haar stem verdwijnt in het verkeer, maar er reageert een man aan de overkant van de straat. Hij steekt over en loopt naar ons toe, een hond met zich mee trekkend.  Zijn bovenarmen zijn blauw met vage figuren. Ze beginnen met elkaar te praten en de hond snuffelt aan mijn voeten. Het is een stevige buldog en ik trek mijn tenen naar achteren.

‘Hij doet niks hoor’, zegt zijn baas met een schorre stem en neemt weer een trek van zijn shaggie.

Waterstralen lopen langs mijn rug. De indringende geur van de vrouw pal naast me en de zware rook die de man mijn kant op blaast, maakt me ineens onpasselijk. Ik wil hier weg.

‘Wat is er wijffie, je kijkt zo benauwd?’

Ze ziet het aan me, denk ik verschrikt. Ik kijk haar aan en probeer te glimlachen.

Dan zegt de man nog een paar woorden Ze begint onbedaarlijk te lachen en gooit haar lange pieken in de nek. Haar mond gaat ver open. De tanden die ze nog heeft, zijn bruin. Haar volle, witte armen slaat ze op haar dikke knieën. De bank trilt mee. Ze maakt kirrende geluidjes. De man begint steeds harder te praten. Zijn hond begint onrustig aan de riem te trekken

‘Ik ga er weer vandoor’ en de man steekt met grote stappen de drukke straat over. De hond  volgt hem.

Als ik opsta om naar mijn afspraak te gaan, buigt ze naar mij toe. Ze fluistert op samenzweerderige toon:  ‘Ik ben altijd heel aardig voor hem’.  Ik knik, maar ze vervolgt: ‘Hij heeft mijn buurman neergestoken’.

 

 

Capacocha 

Opgenomen in de verhalenbundel ‘Vakantieverhalen’  zomer 2015 van de bibliotheek schrijverscafé Hengelo.

 

Hij roept me. Ik leg mijn handwerk aan de kant. Ik had niet gehoord dat papa al weer bij de hut was. Hij is lang weggeweest. Toen hij vertrok, had mama hem bij de handen gepakt, alsof ze hem wilde tegenhouden. Dat vond ik raar. Snel doe ik mijn slippers aan en loop naar hem toe. Hij staat bij de grote boom en kijkt in de verte naar de witte toppen van de Heilige Berg. Als ik naast hem sta, kijkt hij me ernstig aan. Ik zie tranen. ‘Het is zover, mijn kind’, zegt hij met een diepe stem.

 

Ze kijkt omhoog en ziet de vele traptreden die ze nog heeft te gaan en slaakt een diepe zucht. Anderen halen haar schijnbaar moeiteloos in. Ze mompelen geïrriteerd als ze haar op de smalle trap voorbij lopen. Ze houdt een hand boven haar ogen alsof ze van het uitzicht geniet. Het op en neer gaan van haar  borst probeert ze krampachtig te onderdrukken. Geroezemoes van mensen klinkt.

 

Oude mannen, die ik niet ken, staan bij papa. Ik zie hun monden bewegen en hoor zachte woorden. Papa buigt vaak zijn hoofd. Een van de mannen pakt een fluit en hoge klanken vullen de lucht. De mannen zoeken met hun ogen naar mij. Het vertrouwde gezicht van papa komt dichterbij. Het wazige in zijn ogen schrikt me af. Ik schreeuw en wil vluchten. Papa houdt me vast. Ik zie mama de hut uitkomen. De mannen gaan als een net om haar heen staan en fluisteren steeds dezelfde woorden. Ze gilt mijn naam. Ik ruik papa’s zweet. Een man met een vel over zijn schouders komt langzaam op ons af lopen. Hij houdt een kom vast. Papa kijkt me aan. Ik zie verdriet in zijn ogen maar zijn stem klinkt helder: ‘Drink, mijn dochter, kind van de Heilige Berg’.

 

Ze drinkt. De plastic fles kraakt in haar bezwete handen. De nieuwe wandelschoenen onder haar korte broek zien er stoffig uit. Koude zweetdruppels rollen langs de huid van haar rug. In de verte vangt ze stemmen op van haar groep. Ze zijn al lang boven. Ze vermant zich en klimt verder. Eindelijk is ze op het kleine plateau bij de ruïnes. Ze hoort in de stem van de gids de opluchting dat hij kan beginnen met zijn betoog. Haar voeten doen zeer in de te warme schoenen. Ze wil zo graag zitten maar er is geen plek. Haar benen beginnen te trillen. Tegen de felle zon in kijkt ze naar de gids. Ze probeert de woorden te vatten, maar haar oren suizen. Ze vangt flarden op over rituelen, heiligdommen en landbouw. De groep komt weer in beweging. Haar lichaam wil niet meer, maar ze sluit aan. Haar hoofd brandt en ze voelt zich zwaar. ‘Gaat het?’, wordt er in het voorbijgaan gevraagd. Ze knikt en probeert te glimlachen. De groep stapt haar met ferme stappen genadeloos voorbij. ‘Niks laten merken’, denkt ze, ‘ik ben goed voorbereid’. In de speciaalzaak heeft ze zich immers uitgebreid laten voorlichten bij de aanschaf van dure bergschoenen, een speciaal jack en rugzak. Het was een unieke kans, deze reis, volgens de brief zou ze zich uitverkoren voelen. Ze had moeten trainen, merkt ze nu. Haar hoofd wordt licht. De geluiden om haar heen verdampen in de ijle lucht. Hoog in de verte ziet ze witte bergtoppen. De lucht wordt heel licht, doorzichtig bijna. Stilte hangt om haar heen. Ze zweeft. Wat een rust. Hier heeft ze naar verlangd.

 

Ik voel me sterk. Ik heb het niet koud, want papa heeft zijn grote mantel aan mij gegeven. Hij wordt bij elkaar gehouden met een mooie speld. Een groep dragers loopt met volle manden. Eten voor onderweg, maar ook voorwerpen, die ik nog nooit gezien had. Gele, glimmende dingen, die in het dal bezongen en berookt zijn. Onder mijn mantel heb ik mijn mooiste kleed aan. Mama heeft die voor mij geweven. Ze heeft mijn lange haar in vlechten gedaan. Ze zei niets, gaf me een lange omhelzing en het leek dat ze me niet kon loslaten. Als we stoppen, krijg ik lekker maisbrood. Ik drink een vreemde drank  uit een glanzende kom. Het maakt me zweverig. Zingend lopen we verder. De weg wordt steeds steiler. De witte bergtoppen komen dichterbij. De mannen kijken me aan. Ik geniet van hun aandacht. Het maakt me trots, maar ik ben ook bang. Het is een lange tocht. De mannen beginnen indringender te zingen. Mijn voeten doen zeer. De berg wordt steeds kaler en ik trek de mantel strak om me heen. Het begint kouder te worden. Ik ril. Dan komen we bij de sneeuw. De oudste man stopt en kijkt naar de hoogste, witte top. Hij praat tegen de berg en wenkt dan de andere mannen. Ze zetten een kamp op en beginnen voorwerpen uit te stallen. Ze leggen een mooi kleed in de sneeuw. Ik mag op het kleed zitten en mijn ogen trekken naar de prachtige kleuren en ingewikkelde motieven. Iemand gaat achter me staan. Dan wordt het heel licht en alle kleuren verdwijnen.

 

Als ik wakker word, merk ik dat ik op de grond lig. Iemand slaat zachtjes tegen mijn wang. Het ruikt bedompt en er staan vreemde mensen om me heen. ‘Hoogteziekte’, hoor ik fluisteren. Ik wil weg. Voorzichtig word ik omhoog getrokken. Ik zie vitrinekasten met oude dingen. In een hoek staat een grote, zware kast. Vaag zie ik een kleine gestalte. Een grauwe, verdroogde menselijke vorm in een zithouding. Met een geweven doek om waarvan de motieven en kleuren al lang verschoten zijn. De droge haren plakken tegen een verschrompeld vel, dat eens op een mooi gezichtje moet hebben gezeten. ‘Juanita’ staat er groot op het bord. Het ijsmeisje, per toeval gevonden door een aardverschuiving, geofferd aan de bergen in de Andes. Met een klap tegen het hoofd om het leven gebracht.

 

 

Mei 2015

Anneke Doornbos

Licht

Geschreven voor en uitgekozen als voordracht tijdens Schrijverscafé Hengelo thema avond ‘Zeer Korte Verhalen’ met schrijver A.L. Snijders.

 

 

vrijdag 3 april 2015

Ik voel me kut. Griep grijpt me als een monster naar de keel. Scherpe messen snijden als ik hoest.  Ik voel de klamme, matte warmte van mijn lijf. De kamer is donker. Toch dringt er een  felle lichtstraal binnen. Een ongewenst teken van de buitenwereld. Opgesloten in mijn eigen lichaam, besef ik dat er meer is. De warme beslotenheid  van de kamer wordt mijn vijand. Ik heb genoeg van de benauwende lucht die om me heen hangt. Ik wil meer. Dwing mezelf dit hol te verlaten. Mijn lichaam wil niet, laat me, schreeuwt het. Ik geef toe en plof terug in het  matras.

Het grote zwarte scherm aan de muur laat ik leven door de afstandsbediening. Schoten klinken te hard door de ruimte. De echo klinkt na in mijn hoofd als een bonzende cadans. Ik zie mensen in doeken gewikkeld,  vertwijfeld en bebloed mijn beknopte wereld binnen kijken. Ik voel een schrijnende schaamte opkomen. Het grote leed komt binnen. De lichtstraal die ik daarnet vervloekt heb,  laat ik nu binnen als een gewenste gast.  De gloed biedt me een ander perspectief. In de verte hoor ik zachte vogelgeluiden. Ik loop naar het raam.

Het is een goede vrijdag.

 

Anneke Doornbos

© 2018 Nest met spiegelei

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑