Er waren twee prinsesjes. Ze waren erg verschillend. De een was rustig en groot en de ander was druk en klein. Maar toch waren het zusjes. Ze hielden veel van elkaar en speelden vaak samen.

Op een dag zei het kleinste prinsesje: ‘Ik wil iets anders doen’. ‘Wat wil je dan doen’, vroeg het grootste prinsesje. Het kleine meisje keek naar boven. In de lucht dreven mooie witte wolken.

‘Daar wil ik naar toe’, zei ze. ‘ Dan kan ik prachtig spelen, in de wolken’.
‘Maar waarom toch, je kunt hier toch zo mooi spelen’, riep het grootste zusje verbaasd. Ze wees op de geurende bloemen en de kleurige vlinders in de kasteeltuin. ‘Ik wil wat anders, hier ben ik elke dag’, zei de kleine meid met een diepe zucht.

Ze gingen zitten op de stenen bank met mooie krullen. Samen keken ze omhoog naar de wollige wolken die snel voorbij dreven in de wind. ‘Ik wil op een wolk zitten en dan kijken naar beneden en me verbazen over wat daar gebeurt’, zei ze dromerig, ‘ik wil dansen in een wolk en luchtsprongen maken en er voor altijd blijven. Het grote zusje luisterde naar haar verhaal en zuchtte : ‘Maar hoe kom je daar dan toch?’ ‘ Met een ladder natuurlijk’, zei de kleinste met een eigenwijs stemmetje.

Stil zaten ze samen naast elkaar en je kon alleen de vogels horen. Toen sprong de grootste zus op en riep uit; ‘ Als jij zo graag naar boven wil, dan gaan we samen een ladder maken’. Ze renden naar de grote schuur bij het kasteel. Het was een beetje donker en het rook er naar hout. Er stonden lange planken tegen de stenen muur. Samen bekeken ze of er geschikte latten waren voor een ladder. Met veel moeite trokken ze de houten latten uit de schuur. Het was zwaar, en ze werden erg moe.
Toen ze weer uitgerust waren, vonden ze gereedschap in een oude kist. Daarin lagen grote ijzeren spijkers en een zware hamer. ‘Weet je zeker dat je het wil?’ vroeg de grote zus aan het kleine meisje. Ze knikte en schudde met haar hoofdje.

Ze legden de latten naast elkaar op de grond, en tussen in de kleine latjes voor de treeën en begonnen met timmeren. Toen de zon bijna onderging, was de ladder klaar. Hun handen deden zeer maar samen tilden ze de ladder naar de tuin.
Bij de oude appelboom zetten ze de ladder tegen de kromme, knoestige takken. De ladder was hoog en wees naar de lucht. De twee meisjes keken elkaar lang aan als of ze wisten dat er iets ging veranderen. Ze sloegen de armen om elkaar heen en bleven zo een lange tijd staan onder de appelboom. Hun haren bewogen zachtjes in de wind. Het enige geluid dat je kon horen was een bries in de takken en zoemende bijen die rond de bloesem van de boom vlogen.

‘Weet je het echt zeker’, vroeg de oudste zus met een ernstige, diepe stem. Het duurde even voordat de kleine antwoordde. ‘Ja, ik weet het zeker’, en ze keek met een verlangende blik naar de lucht. Toen greep ze met haar handjes naar de houten spijlen. En ze trok zich zelf omhoog. Haar zusje gaf haar een zetje. ’Ho, stop’ ,riep de oudste, en greep haar vast, ‘wacht, wanneer zie ik je weer?’

Het jongste prinsesje draaide zich om op de ladder en keek haar zus aan. Het leek net of ze ineens een stuk ouder was geworden. De laatste zon bescheen met een warme gouden gloed haar gezichtje. Haar mooie krullen lagen als een lijst om haar hoofd en schouders. Ze wees met haar vinger naar de roze bloesem van de boom. ‘Als volgend jaar de appelboom weer bloeit , laat ik je weten hoe het met me gaat. Kom dan terug en zet de ladder tegen de boom, lieve zus. Ga op de ladder staan en reik je hand naar de lucht. Dan houden we elkaar vast en drijven samen op de wolken en genieten van al dat beneden is.

Het meisje verdween in de witte watten van de rozige lucht. De zon ging onder.

 

Geschreven naar aanleiding van de vraag op Facebook, een sprookje te schrijven voor een kind dat ongeneeslijk ziek was. Ze had een oudere zus.

Inmiddels is het meisje overleden.