Genomineerd, samen met 4 andere verhalen, in de wedstrijd ‘Straatrumoer. Kijk! Mijn straat.’ (2015) van Schrijverscafé Hengelo. Uiteindelijk niet gekozen als nummer 1, maar de jury was lovend.

 

De navigatie geeft aan dat ik mijn bestemming heb bereikt. Ik pak mijn werktas en kijk nog even in mijn agenda op welk huisnummer mijn cliënt woont. Dan stap ik uit en wil oversteken. Te laat hoor ik het zachte geronk van de witte scooter. Een vrouw met stevige bovenarmen roept boven het windscherm uit. Ze trekt aan het stuur en kan me nog net ontwijken. Als ik haar geschrokken nakijk , zie ik haar stevige billen heen en weer gaan om zich weer te nestelen in het te smalle zadel.  Verdwaasd maar opgelucht dat ik niet aangereden ben, steek ik over.

Het is warm en de zon schijnt scherp in mijn ogen. Verderop is een klein parkje met grote bomen en schaduw. Om even bij te komen, ga ik daar op een oud, rommelig bankje zitten en kijk eerst goed waar geen vogelpoep ligt.

Dan valt het me pas op hoeveel scooters door de straat rijden. Roze, witte, met windscherm, zonder scherm, met passagier of alleen een mandje. Nog beduusd kijk ik ze na.

Er gaat iemand naast me zitten. De bank begint gevaarlijk te kantelen, maar blijft staan. Volle dijen vleien zich tegen de mijne.  Als ik wil opschuiven, voel ik de harde leuning. Ik krijg het nog warmer.

‘Wil toch wel, he’, hoor ik een rauwe stem zeggen. Als ik me naar haar toe draai om te antwoorden, krijg ik allerlei luchten in mijn neus. Ik ruik rook en een oude zweetlucht. Twee kleine ogen kijken me priemend  aan. ‘Ja, dat lukt wel ‘, zeg ik twijfelend. Lange piekerige haren die bij de kruin veel donkerder zijn, vallen om haar volle gezicht.

‘Ging net goed, he’

Niet begrijpend kijk ik haar aan.

‘Met die scooter’ en ze knikt ongeduldig naar de plek  waar ik zojuist bijna geraakt ben.

‘Eh ja’,

‘Dat mens riedt altied als ’n gek’, begint ze, ‘ze heft wel vaker iemand aangereden’.

‘Nou, dan ben ik er..’, wil ik vertellen, maar direct gaat ze verder:

‘Ze heeft vast weer drank op, die kan er wat van hoor, ze woont vlak achter mij, dat huis zonder gordijnen. Mannen komen en gaan’. En ze draait met haar ogen. ‘Daar hef ze die scooter van betaald’.

Als ik bedenk wat ik hier op moet gaan zeggen, voel ik haar opveren van de bank en ze roept hard een naam. Haar stem verdwijnt in het verkeer, maar er reageert een man aan de overkant van de straat. Hij steekt over en loopt naar ons toe, een hond met zich mee trekkend.  Zijn bovenarmen zijn blauw met vage figuren. Ze beginnen met elkaar te praten en de hond snuffelt aan mijn voeten. Het is een stevige buldog en ik trek mijn tenen naar achteren.

‘Hij doet niks hoor’, zegt zijn baas met een schorre stem en neemt weer een trek van zijn shaggie.

Waterstralen lopen langs mijn rug. De indringende geur van de vrouw pal naast me en de zware rook die de man mijn kant op blaast, maakt me ineens onpasselijk. Ik wil hier weg.

‘Wat is er wijffie, je kijkt zo benauwd?’

Ze ziet het aan me, denk ik verschrikt. Ik kijk haar aan en probeer te glimlachen.

Dan zegt de man nog een paar woorden Ze begint onbedaarlijk te lachen en gooit haar lange pieken in de nek. Haar mond gaat ver open. De tanden die ze nog heeft, zijn bruin. Haar volle, witte armen slaat ze op haar dikke knieën. De bank trilt mee. Ze maakt kirrende geluidjes. De man begint steeds harder te praten. Zijn hond begint onrustig aan de riem te trekken

‘Ik ga er weer vandoor’ en de man steekt met grote stappen de drukke straat over. De hond  volgt hem.

Als ik opsta om naar mijn afspraak te gaan, buigt ze naar mij toe. Ze fluistert op samenzweerderige toon:  ‘Ik ben altijd heel aardig voor hem’.  Ik knik, maar ze vervolgt: ‘Hij heeft mijn buurman neergestoken’.